„God bestaat helemaal niet”, zei de vos,
Haasje en vos

„dat is toch allemaal onzin! Eigenlijk weet toch iedereen dat Hij niet bestaat — of heb jij Hem soms ooit gezien? En al die rampen en ziekten dan... en trouwens, waar zou Hij eigenlijk moeten zijn? Natuurlijk zijn er wel een paar zwakke en beklagenswaardige wezentjes zoals jij, die iets groots en sterks nodig hebben om in te geloven. Daarom hebben ze God bedacht, louter verbeelding — maar mensen zoals wij, kom nou toch...!!” Zo sprak hij en liet hij het arme haasje wat verward achter.

Zou hij gelijk hebben, dacht het verdrietig, of doet hij alleen maar alsof? Heb ik God werkelijk alleen maar verzonnen, Hem voor mezelf bedacht? Ik heb toch met Hem gesproken toen ik nog klein was, en soms heb ik Hem vlak naast mij gevoeld. Ik zal tot op de bodem uitzoeken hoe het zit en de oehoe opzoeken; hij is tenslotte het wijste dier van het bos en zal mij vast verder kunnen helpen.

Meteen ging het op weg en trof de oude oehoe aan op zijn lievelingsboom. Omdat het zo opgewonden was, begon het meteen te spreken: „Meneer Oehoe”, begon het, „ik heb een belangrijke vraag. Zegt u mij alstublieft: Bestaat God?”

Haasje en oehoe

De oehoe opende één oog en zei toen: „Wat een dwaze vraag, klein haasje, natuurlijk bestaat Hij!”

„Maar zegt u eens, hoe weet men dat...........”, wilde het haasje juist tegenwerpen, toen de oehoe hem vóór was: „Kijk eens naar jezelf, kijk eens naar mij — zouden wij hier nu zijn als er geen Schepper bestond? Maar zeg eens, hoe kom je toch op zo’n domme vraag?”

„De vos”, antwoordde het haasje, „de slimme vos zei me dat God alleen maar verbeelding was!”

„Ach zo, de vos!”, spotte de oehoe en deed bij wijze van uitzondering beide ogen open. „Zo slim is hij helemaal niet als hij altijd doet voorkomen; hij is alleen bang dat hij iets in zijn leven zou moeten veranderen omdat God bestaat. Daarom vertelt hij zulke onzin!” Daarna sloot hij zijn ogen weer en wilde verder slapen.

Toen het kleine haasje dat zag, haastte het zich om nog snel een laatste, maar toch zo belangrijke vraag te stellen: „Alstublieft, lieve oehoe, zegt u mij toch ook nog waar God is, en kan men Hem niet op de een of andere manier bewijzen?”

„Niets is eenvoudiger dan dat”, gaapte de oehoe, „heb je ooit van iemand gehouden?”

„Zeker”, stamelde het haasje verward, „van mijn vader, mijn moeder, mijn achttien broers en zussen en...”, hier stokte het even en bloosde, „van het kleine haasmeisje uit het naburige hol!”

Peinzend haasje

De oehoe knipperde hem nog één keer meewarig aan en zei toen eindelijk: „Nou dan, haasje, laat me jouw liefde eens zien, haal haar tevoorschijn, zodat ik erin kan geloven!”

Heel verbaasd antwoordde het kleine haasje: „Maar dat kan toch niet, meneer Oehoe, die kun je er toch niet uithalen, die zit diep vanbinnen!” en het wees naar zijn hart.

„Precies!”, zei de oehoe, „God ook!”

„Hoezo?”, vroeg de haas.

„God is liefde”, bromde de oehoe en viel in slaap.

God is liefde
1 Johannes 4,8 en 16

God bestaat helemaal niet,
zei de vos

God bestaat helemaal niet, zei de vos Alleen muziek: MP3 / Tekst